Vandaag dient op het Gerechtshof Den Haag het hoger beroep in de civiele procedure van vier Iraniërs en de erven van een inmiddels overleden Iraniër tegen Melchemie (tegenwoordig: Otjiaha) en (de erven van) de president-directeur van het bedrijf, wijlen Hans Melchers (hierna: Melchemie c.s.).
Cliënten werden tijdens de Iran-Irakoorlog (1980-1988) slachtoffer van mosterdgasaanvallen die werden uitgevoerd door het Irak van Saddam Hoessein. Het mosterdgas dat Irak op het strijdveld inzette werd geproduceerd met thiodiglycol (hierna: TDG) in combinatie met een chloreringsmiddel; begin jaren tachtig was thionylchloride (hierna: SOCI2) het enige chloreringsmiddel dat Irak hiervoor gebruikte. Melchemie c.s. verkocht begin jaren tachtig zeer grote partijen SOCl2 aan Irak: het gaat om in totaal 1.850 ton, verspreid over drie leveringen naar aanleiding van bestellingen die in 1982, 1983 en 1984 door Irak werden geplaatst. De SOCl2 die aldus door Melchemie c.s. aan Irak werd verkocht en geleverd, werd door Irak gebruikt voor de productie van mosterdgas. Door de blootstelling aan mosterdgas op het slagveld liepen cliënten aanzienlijke (gezondheids)schade op, waarvoor zij Melchemie c.s. aansprakelijk houden.
De rechtbank Den Haag had bij vonnis van 15 november 2023 de vorderingen van cliënten afgewezen, omdat naar haar oordeel niet kon worden vastgesteld of Melchemie c.s. in de relevante periode wisten of hadden moeten begrijpen dat Irak mosterdgas gebruikte dat met SOCI2 werd geproduceerd. Het zwaartepunt van de appèlprocedure ligt dan ook bij de kennis en wetenschap van Melchemie c.s. daaromtrent. In hoger beroep zijn onder meer feiten en bewijsmiddelen boven tafel gekomen die het voorgaande nader onderbouwen. Het Nederlands platform voor onafhankelijke onderzoeksjournalistiek Follow the Money publiceerde daarover vandaag een uitgebreid artikel.
- Dominicus, H. Ede Botje, ‘Nederlands chemiebedrijf leverde willens en wetens grondstoffen voor Iraaks gifgas’, Follow the Money, 15 juni 2026
Cliënten worden in deze zaak bijgestaan door advocaten Liesbeth Zegveld, Brechtje Vossenberg en Thomas van der Sommen.