Op 27 augustus wees het Gerechtshof Den Haag arrest in het onderzoek Vescher dat zag op betrokkenheid bij de ontvoering en het martelen door Syrische inlichtingendiensten. Cliënt is de persoon die in deze zaak slachtoffer werd van deze grove mensenrechtenschendingen. 

Het hof vindt bewezen dat de verdachte een leider was van Liwa al-Quds en daadwerkelijk heeft deelgenomen en bijgedragen aan de gewapende strijd in Syrië aan de kant van het regime. Deze organisatie heeft bijgedragen aan de onderdrukking van Syrische burgers door onder meer actief samen te werken met de Luchtmacht Inlichtingen Dienst (LID). Die dienst stond bekend als de wreedste onder de Syrische inlichtingendiensten. De verdachte was ook betrokken bij de gevangenneming van cliënt uit het Al-Nayrab kamp nabij Aleppo. Hij heeft cliënt samen met anderen, waaronder een officier van de LID, ‘s nachts op gewelddadige wijze afgevoerd uit zijn woning waarna deze man in een gevangenis in Aleppo door de LID is gefolterd en gemarteld. Dit heeft voor hem ernstige lichamelijke en psychische gevolgen gehad.

Het Openbaar Ministerie verweet de verdachte onder andere deelneming als leider aan een criminele organisatie. Het gaat om de organisatie Liwa al-Quds, een pro-regime militie van Assad. De betrokkenheid bij de ontvoering (wederrechtelijke vrijheidsberoving) en marteling waren tenlastegelegd als misdrijven tegen de menselijkheid. De marteling was ook als foltering tenlastegelegd. 

Het gerechtshof kwam op al deze punten tot een bewezenverklaring en veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 13 jaar, waar de rechtbank eerder nog tot een straf van 12 jaar kwam. Bij de motivering van de strafmaat wees het Hof onder andere op de verklaringen die cliënt heeft afgelegd over hetgeen hem is overkomen en de impact die dit nog altijd op hem heeft. 

Namens cliënt was een vordering benadeelde partij ingediend. Omdat de feiten zijn gepleegd in Syrië, moest deze vordering worden beoordeeld onder Syrisch recht. Eerder was de vordering door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd achtte over het Syrisch recht. Het gerechtshof kwam echter tot een ander oordeel, en wees de gevorderde schadevergoeding volledig toe. Het hof baseerde zich daarbij onder andere op deskundigenrapporten die namens en op verzoek van de benadeelde partij zijn ingediend. Het is voor het eerst dat een vordering benadeelde partij onder Syrisch recht is toegewezen in een zaak die gaat over internationale misdrijven. 

Het arrest van het Hof is hier terug te vinden. 

Cliënt werd in deze zaak bijgestaan door Barbara van Straaten en Brechtje Vossenberg.

Deel dit bericht via

Heeft u een vraag?

Lees in onze privacy verklaring hoe wij omgaan met uw persoonlijke gegevens.