Op 29 september 2020 wees de rechtbank Den Haag haar eindvonnis in de zaak die Malik Lambogo in 2016 aanspande tegen de Nederlandse Staat wegens de dood van zijn vader, Andi Abubakar Lambogo. De rechtbank had in 2019 al bepaald dat de Staat in deze zaak geen beroep toekwam op verjaring, maar overwoog ook dat de feiten nog onvoldoende vast waren komen te staan (hier). In haar eindvonnis kon de rechtbank op basis van nadere bewijslevering voor recht verklaren:

“[R.o. 3.1] [D]at Nederlandse militairen (i) A.A. Lambogo in de eerste helft van maart 1947 hebben gedood, terwijl A.A. Lambogo zich in detentie bevond nadat hij gewond was geraakt bij een treffen met Nederandse militairen, (ii) het hoofd van A.A. Lambogo hebben afgehakt en op de lokale markt (pasar) van het dorp Enrekang hebben tentoongesteld (lijkschennis) en (iii) de gevangengenomen soldaten uit het bataljon van A.A. Lambogo hebben gedwongen het afgehakte hoofd van hun commandant te kussen (ontering van het stoffelijk overschot van A.A. Lambogo).”

Het nadere bewijs omvatte onder meer aanvullende literatuurbronnen uit Indonesië waarin de doodsomstandigheden van A.A. Lambogo waren gedocumenteerd. Daarnaast zijn via videoverbinding met de rechtbank Den Haag twee getuigen gehoord die over de gruwelijke gebeurtenissen konden verklaren. Een getuige kon uit eigen waarneming bevestigen dat het hoofd van A.A. Lambogo op de plaatselijke markt tentoon was gesteld. De andere getuige zat zelf bij de groep van A.A. Lambogo en was getuige van de verwonding en gevangenneming van A.A. Lambogo door Nederlandse militairen. Ook de getuige zelf werd gevangengenomen. Daags daarna werd hij naar de markt van Enrekang gebracht en dwongen Nederlandse militairen hem om het hoofd van A.A. Lambogo te kussen.

Met dit eindvonnis zijn de feiten rondom de dood van de vader van cliënt nu ook door de rechtbank bevestigd en erkend. De compensatie die daar uiteindelijk tegenover staat is op dit moment echter bijzonder laag. De reden daarvoor is dat op de zaak oud Nederlands recht van toepassing, zoals dat in 1947 gold. Op basis van dat recht is de schade die voor vergoeding in aanmerking komt beperkt tot gederfd levensonderhoud, en dan alleen voor zover daar feitelijk behoefte aan bestond. Nabestaanden kwamen onder het recht in 1947 niet in aanmerking voor immateriële schadevergoeding en zelfs de wettelijke rente begon pas te lopen vanaf het moment dat het was aangezegd (in casu was dat bij dagvaarding). Concreet houdt dat in dit geval in dat cliënt als kind van zijn vader slechts in aanmerking komt voor 12% van het gederfd levensonderhoud dat naar zijn moeder zou zijn toegevloeid, en alleen totdat zij hertrouwde óf totdat hij in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien door het bereiken van meerderjarigheid dan wel door huwelijk.  De moeder van cliënt is nooit hertrouwd en cliënt trouwde in 1963, zodat hij tot dat jaar voornoemde materiële schadevergoeding krijgt. Dat het bedrag dat hem op basis van het toepasselijk recht aan compensatie kon worden toegewezen niet in verhouding staat tot de pijn en het leed van cliënt, heeft de rechtbank overigens ook in haar eindvonnis erkend.

Cliënt heeft nog wel uitzicht op een meer fatsoenlijk compensatiebedrag. Mogelijk komt hij in de toekomst in aanmerking voor (verdere) compensatie op basis van een buitengerechtelijke regeling. In 2013 maakte de Staat al een dergelijke regeling bekend voor weduwen van standrechtelijk geëxecuteerden. Deze ‘Bekendmaking’ werd vorig jaar nog verlengd tot 2021 (zie hier). Afgelopen zomer gaf de Staat te kennen dat hij zal overgaan tot het vaststellen van een regeling voor de kinderen van standrechtelijk geëxecuteerden. Hierover zijn nog geen verdere details bekend, maar de verwachting is dat het vergelijkbaar zal zijn met de Bekendmaking voor de weduwen uit 2013. Weduwen van standrechtelijk geëxecuteerden van wie de rechtbank Den Haag in maart de vorderingen toewees (zie hier), ontvingen daarna ook het compensatiebedrag dat op basis van de Bekendmaking aan weduwen wordt geboden.

Lambogo is in deze zaak bijgestaan door advocaten Brechtje Vossenberg en Liesbeth Zegveld.

 

Zie verder:

 

Eerdere berichten

Heeft u een vraag?

Lees in onze privacy verklaring hoe wij omgaan met uw persoonlijke gegevens.

Prakken d’Oliveira is een advocatenkantoor met expertise in en ervaring met asielrecht en regulier vreemdelingenrecht, Europees recht, bestuursrecht, (internationaal) strafrecht en mensenrechten. Onze advocaten verlenen advies en procederen in bezwaar bij de IND of de CTIVD, of voor rechtbank, gerechtshof, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, in cassatie voor de Hoge Raad, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), de Verdragscomités van de Verenigde Naties, het Internationaal Strafhof (ICC) en diverse internationale tribunalen.